Nederlandse vereniging voor groepsdynamica en groepspsychotherapie
Home / Research groepstherapie / Evidence Based Groepstherapie / Presence of Personality Disorder Moderates the Long Term Effects

Presence of Personality Disorder Moderates the Long-Term Effects of Short-Term and Long-Term Psychodynamic Group Therapy

A. Fjeldstad, P. Hoglend, S. Lorentzen (2016).  Presence of Personality Disorder Moderates the Long-Term Effects of Short-Term and Long-Term Psychodynamic Group Therapy: A 7-Year Follow-Up of a Randomized Clinical Trial.  Group Dynamics: Theory, Research, and Practice, 20, 4, 294–309
Verslag Monique Leferink op Reinink 

Abstract

No prior randomized trials have investigated how personality disorders (PDs) impact the long-term outcomes of group psychotherapy treatment of different durations. The present study compared the effects of short-term and long-term group analytic therapy among patients with and without PD, with regards to symptoms and interpersonal problems during a 7-year follow-up. A total of 167 outpatients with mixed diagnoses (45% with PDs, mostly Cluster C) were randomized to 20 or 80 weekly sessions of group analytic therapy. Interpersonal problems (measured by the Inventory of Interpersonal Problems Circumplex) and symptoms (measured by the the Symptom Check List-90-R) were assessed at 7 time points during the 7-year study period. Change was calculated using linear mixed models. The authors hypothesized that patients with PD would improve more with long-term than short-term therapy. This was confirmed as PD showed a significant moderator effect for symptoms and a trend for interpersonal problems. Patients with PD improved more on both outcome measures with long-term therapy compared to short-term therapy, with medium between-groups effect sizes. Patients without PD responded equally in the 2 treatment conditions over the last 6.5 years. PD patients showed significantly higher change rates on the IIP-C subscales nonassertive, exploitable, and overly nurturant, favoring long-term treatment compared to short-term therapy.

Wat betekent dit voor de groepstherapie en de nvgp?

Kracht van dit onderzoek is dat het hier gaat om een waarachtige RCT waarin patiënten met en zonder persoonlijkheidsstoornis  7 jaar lang worden gevolgd verdeeld over 2 condities: langdurende groepstherapie ( 80 zittingen, ongeveer 2 jaar) en kortdurende groepstherapie ( 20 zittingen). Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis blijken meer te profiteren van langdurende groepstherapie. Zelfs jaren na afloop van de therapie blijken zij nog te verbeteren. Bij patiënten zonder een persoonlijkheidsstoornis blijkt de duur van de therapie géén significant effect te hebben op het resultaat: zij verbeteren evenveel met kortdurende groepstherapie als met langdurende groepstherapie. Een belangrijke bevinding die tegelijkertijd ethische implicaties heeft. Zo vragen de onderzoekers zich af of het nu nog verantwoord is patiënten zonder persoonlijkheidsstoornis aan lange termijn groepen te laten deelnemen, nu blijkt dat zij voldoende verbeteren met korte termijn groepstherapie.Bekijken we het onderzoek nauwlettender, dan vallen een aantal dingen op. Allereerst blijken er bij de LTG-conditie ( langdurende groepstherapie)  57.8% completers te zijn, bij de STG  (kortdurende groepstherapie) zijn dit er 83.1%.

De onderzoekers verklaren dit verschil door de langere duur van de therapie in de LTG-conditie: hierdoor zijn er ook meer drop-outs. Het verschil blijft evenwel opvallend: slechts iets meer dan de helft van de patiënten voltooit de therapie in de LT- conditie. Verder wordt in dit onderzoek gebruik gemaakt van zelfrapportage vragenlijsten, wordt de invloed van life-events niet meegenomen, evenals de invloed van mogelijke andere behandelingen. In de LTG- conditie zijn de psychiatrische klachten van patiënten met een persoonlijkheidsstoornis na afloop van de therapie significant afgenomen ( gemeten met de GSI, Global severity index of psychiatric distress)  de interpersoonlijke problemen laten echter geen significante afname zien, wel een trend in de richting van significante afname ( gemeten met de IIP-C , the inventory of interpersonal problems circumplex). Deze trend in afname staat bovendien op het conto van slechts drie subschalen die significante verbetering te zien gaven: ‘nonassertivity’, ‘exploitable’ en ‘overly nurturant’.  

Merkwaardig genoeg zien we geen duidelijk effect op de subscaal ‘social avoidance’, temeer daar het hier gaat om een groep patiënten met overwegend een cluster C-persoonlijkheidsstoornis. Patiënten met een cluster C persoonlijkheidsstoornis hebben dus baat bij een langerdurende groepstherapie in vergelijking met kortdurende groepstherapie: zij hebben na afloop en ook jaren later minder klachten, worden assertiever en richten zich minder overmatig op anderen, maar indrukwekkend vind ik de bevindingen nu ook weer niet

Relevantie voor richtlijnenO O O O O
Relevantie voor onderzoekO O O O O
Relevantie voor groepsbehandelingO O O O O
Relevantie voor teamcoachingO O O O O
Relevantie voor groepsdynamicaopleidingO O O O O
Relevantie voor groepstherapieopleidingO O O O O
Relevantie voor KP opleidingO O O O O