Zoals in zo veel instellingen kreeg ook ik op 16 maart jongstleden te horen van de afdelingsleiding van de afdeling psychiatrie dat alle face to face groepen acuut gestopt werden in verband met gevaar op besmetting en de afgekondigde maatregelen dat er geen samenkomsten met meer dan drie personen mochten zijn. Er werd afgesproken dat degene die de groep begeleidde alle groepsleden zou bellen en wel zo spoedig mogelijk, om hen persoonlijk in te lichten over dit besluit, en hen mede te delen dat de groep na enige tijd mogelijk weer hervat zou worden, ofwel live ofwel online. Maar in de tussentijd zouden er geen sessies zijn. De opdracht was ook aan patiënten te vragen of ze deze tussenperiode zouden kunnen overbruggen zonder therapie, of wanneer ze wel steun nodig hadden, die dan door hun regiebehandelaar (veelal niet de groepstherapeut) gegeven zou worden. De eerste week (week 12 ) moesten aldus vier groepen van elk acht patiënten gebeld worden. Dit werd gedaan door middel van beeldbellen en was meteen al een nieuwe (en dus) intensieve taak. Opvallend was dat alle patiënten reageerden met een begripvolle houding: ze hadden dit al aan zien komen en er was maar één patiënte voor wie op haar verzoek een andere vorm van begeleiding geregeld moest worden.

Zelf moest ik terug denken aan hoe ik in mijn leertraject tot NVGP groepspsychotherapeut deel uitgemaakt had van een leergroep die ook plots stopgezet werd. Dit gebeurde eveneens zoals nu zonder aankondiging vooraf, en zonder afscheid of afspraken voor de tussentijd. De aanleiding was toen het plotseling overlijden van mijn leertherapeut die als enige de groep deed. Ik weet nog dat het niet kunnen spreken van mijn groepsgenoten me zwaar viel (we hadden immers geen contactgegevens van elkaar en er gold ook de regel elkaar niet buiten de groep om te zien). Dit aspect heb ik de patiënten van mijn gelimiteerde en geprotocolleerde groepen nu niet horen verwoorden, al zullen ze het misschien wel zo gevoeld hebben.

Vervolgens werd gekeken met mijn co-therapeut (een psycholoog in opleiding tot Gz-psycholoog) van de twee gedachten-schemagroepen, wat er voor nodig was om deze online vorm te gaan geven. Het was niet alleen belangrijk voor de patiënten om hun therapie te kunnen continueren, ook voor mijn co-therapeut was het van belang dat haar leerervaringen en haar opleiding doorgang konden vinden. Al na één week was het gelukt om alle betreffende patiënten opnieuw te bellen, toestemming te vragen, uitleg te geven en aan te kondigen dat er weer online herstart werd. Wederom viel het ons op dat allen mee wilden doen en dat er geen enkel groepslid aangaf om deze reden af te willen haken. Na twee weken (week 14 ) werd online gestart, hierbij geholpen door het feit dat het Radboudumc reeds een beveiligd beeldbellen systeem bezat (Saurus).  Alle patiënten en de twee therapeuten konden zo met een camera  in beeld op een scherm, inclusief de mogelijkheid om op een extra scherm een G-schema uit te werken. Wat ook prettig werd gevonden was dat deze groep al tweemaal live bijeen gekomen was en men dus meer beeld van elkaar had dan nu alleen op het beeldscherm binnenkwam. De groepsleden hadden allen passend materiaal zoals een telefoon met camera, een iPad of een laptop.

We maakten echter bij het online een groep doen wel allerlei technische belemmeringen mee: iemand die wel kon inbellen maar geen beeldfunctie had, waardoor elk ander groepslid te zien en te horen was, maar zij alleen te horen was. Doordat ze niet te zien was, vergaten we haar een paar keer in de rondvragen… En de patiënt die wel zei te willen inbellen maar bij wie het steeds niet lukte. Of de patiënt die pas na tien minuten therapie erin kwam, of vijf minuten voor tijd eruit viel. In een live groep zou te laat komen en eerder weggaan natuurlijk geproblematiseerd worden, maar nu weten we het aan de techniek. En wat te denken van een jonge moeder die met een baby op schoot (inclusief al het geluid dat een baby kan produceren) in beeld kwam?  Haar postnatale depressie was de reden geweest dat ze op onze afdeling was aangemeld, maar nu konden we niet alleen haar horen zeggen dat het beter ging, maar ook zien: vol trots hield ze de kleine omhoog. Een koor van ’ahs’ klonk op uit de groep. Een groepsgenoot riep hierna enthousiast dat ze dan ook wel haar Rudy wilde laten zien, hetgeen haar puppy bleek te zijn...! Bij een andere groep hadden we al een kat door het beeld zien gaan, maar daar had toen niemand op gereageerd. Zulke dingen horen bij online werken, dacht ik.

We verbaasden ons soms ook over de kamers die we in beeld kregen en die niet aansloten bij onze ideeën over iemand (een net geklede dame in een rommelkamer) of die meer informatie onthulden dan wat we anders misschien hadden geweten (zoals een man met autisme met achter zich in beeld een rek vol met verzamelde Starwars objecten, terwijl hij eerder aan had gegeven geen beperkte interesse gebieden te hebben).  Er waren ook patiënten die door deze online vorm rapporteerden meer stress te hebben dan waarvoor ze therapie hadden gezocht, met name over vragen als: kom ik nog in het beeldbellen als ze al begonnen zijn en wat gebeurt er als ik weg val. Hun zorgen betroffen zowel het  technische aspect als de angst dat er over hen gepraat zou worden als ze er niet meer bij waren. Toen dat helder werd, heb ik herhaald dat ook online er afspraken gelden en dat er niet gesproken wordt over hen die er niet zijn, en dat veiligheid belangrijk is.

 Ook de corona zelf gaf stress, zoals bleek uit een in onze ogen wat wonderbaarlijke inbreng van een  patiënt die vertelde over een aanvaring met zijn vader die van mening was dat corona niet echt bestond en het alleen een complot was. Of een vrouw met ADHD die zo bang was dat haar moeder zou komen te overlijden dat ze in discussie ging met iedereen die op straat in een te grote groep stond en zo zelfs met de politie in aanraking kwam.

In de tweede online week bleken zowel de patiënten als wijzelf het online werken minder vermoeiend te vinden, en de week erop liep alles nog weer wat soepeler (al ervoeren wij het kijken als intenser, omdat je online iedereen tegelijk te zien krijgt). Eén groepslid gaf in de tweede week aan te willen stoppen met de groep. Ze zei dat het was vanwege het online werken omdat ze het zo nog lastiger vond om zich voor anderen te openen.

In week 16 werd ook de derde groep online gestart, de activatie groep. Dit leek me lastiger omdat dit een open groep betreft en er twee nieuwe patiënten die week zouden starten, diede anderen groepsleden dus nooit eerder ontmoet hadden. Lastiger ook voor mij als therapeut om deze depressieve patiënten te activeren, omdat ik hen normaliter vroeg om bijvoorbeeld naar de muziekschool te gaan om informatie te vragen en een proefles te volgen in drummen, terwijl deze en andere instellingen nu gesloten zijn. Vaker nu adviseerden we hen te gaan wandelen of online deel te nemen aan activiteiten zoals een online zangkoor. De deelnemers gaven aan dat ze nog meer dan eerst het kunnen delen met elkaar een belangrijke reden vonden steeds bij de online sessie aanwezig te zijn. In de coronatijd viel voor velen een groot deel van hun soms toch al schaars aanwezige netwerk weg en was verbinden een eerste doel. De nieuw gestarte deelnemers haakten al na de eerste sessie af. Waarschijnlijk is het toch nodig eerst elkaar meer te kennen vanuit een live groep om ook de verbinding online te kunnen ervaren. Dan lijkt een blend van face tot face en on line misschien het beste. Of speelde het feit dat het neerzetten van een groep met regels nu minder uit de verf kwam? De groep werd hierdoor wel erg klein (vijf deelnemers in plaats van negen) daar er in verband met het opschorten van de intakes ook geen nieuwe patiënten meer aangemeld werden, terwijl deze groep eerder altijd op een continue instroom kon rekenen. Het kwam me voor dat de oudere kern van groepsleden hierdoor wel nog hechter werd. Dat men te laat inlogde of tussendoor of tegen het einde weg viel, werd nu als gewoon beschouwd, maar misschien hadden we er toch meer over moeten zeggen. Met alle beperkingen van het online groepen doen, was ik al met al tevreden weer elke dag mijn groepen te kunnen geven en het contact met mijn patiënten op peil te kunnen houden.

Katelijne Robbertz is onder meer werkzaam als klinisch psychologe /psychotherapeut op de polikliniek van de afdeling psychiatrie van het Radboudumc, alwaar zij meerdere groepen leidt zoals twee gedachten-schema groepen, een gedragsactivatie groep en een ACT groep.

Joomla SEF URLs by Artio